Ruimte voor energietransitie (bron: Energie op Rijksgrond - Rijkswaterstaat)

© Esri Nederland

6. Energietransitie als ruimtelijk vraagstuk

Netbeheer Nederland becijfert dat er in totaal tot 2050 meer dan 100.000 kilometer aan elektriciteitskabels, 180 tot 400 kilometer aan warmtetransportnetten en meer dan 5.000 km2 aan duurzame opweklocaties voor wind en zon bij moeten komen.



Niet zelden is er beperkt lokaal draagvlak voor duurzame projecten, juist vanwege de grote impact in de directe leefomgeving.

  • Als eerste zijn er de verschuivingen in vraag en aanbod, waar de transitie wordt gemaakt van een sterk gecentraliseerde opwek naar duurzame bronnen en decentrale opwek.

  • Dit heeft grote gevolgen voor de infrastructuur en de netcapaciteit. De huidige infrastructuur is niet berekend op decentrale opwek en de toename van de vraag naar stroom door elektrificatie vraagt om verzwaring van het net. Gevolg zijn netcongestie en vertraging in netverzwaring waardoor woonwijken en bedrijven niet kunnen aansluiten op het net.

  • Tot slot is er wat genoemd kan worden de energieplanologie. Aanpassing van de energie-infrastructuur heeft grote impact op de schaarse ruimte in Nederland. Ruimtelijke planvorming, zowel lokaal, regionaal als nationaal, is complex en raakt veel belangen en beperkingen. Waar is ruimte

Omdat de energietransitie letterlijk ruimte inneemt en ingrijpt in de inrichting van de leefomgeving, is het in zijn aard een ruimtelijk vraagstuk. Overheden, bedrijven en burgers moeten samenwerken om slimme, acceptabele en duurzame keuzes te maken. Deze opgave is samen te vatten in drie vraagstukken.

De opwekking, opslag en distributie van duurzame energie nemen allemaal ruimte in en hebben zo veel impact op de fysieke leefomgeving. Vrijwel altijd roept de energietransitie discussies op over grondgebruik. Landbouw, natuur, wonen en energie concurreren om dezelfde ruimte. Burgerparticipatie is essentieel om draagvlak te creëren en oplossingen te vinden die zowel duurzaam als sociaal acceptabel zijn.

Hernieuwbare energiebronnen zoals zonneweides en windmolenparken vergen veel ruimte. Zowel in de zin van direct fysiek ruimtebeslag als ook indirect. Zonnepanelen kunnen op daken worden geplaatst, maar grootschalige zonneparken concurreren met landbouw- en natuurgebieden of met woningbouw. Windturbines hebben een minimale afstand tot woningen nodig vanwege geluidsoverlast en slagschaduw en hebben veel impact op het landschap in de wijde omtrek. Zonneparken en windturbines veranderen het landschap visueel en hebben impact op de natuur waardoor lokale en regionale overheden balanceren tussen duurzame energieoplossingen en behoud van waardevolle landschappen en ecosystemen.

Er is ook ruimte nodig voor energie-infrastructuur, de uitbreiding en aanpassing van energienetwerken met extra of zwaardere hoogspanningslijnen en transformatorstations die ook strategisch moeten worden geplaatst om vraag en aanbod te balanceren.

In stedelijke gebieden wordt aardgas vervangen door warmtenetten, warmtepompen en geothermie. Dit vraagt om herinrichting van wijken en infrastructuur. De aanleg van warmtenetten moet worden afgestemd op bestaande bebouwing of toekomstige stedelijke ontwikkelingen.